Mezzaninefinanciering: om het gat op te vullen tussen bankkrediet en risicodragend vermogen | |
|
De term mezzanine komt oorspronkelijk uit de bouwwereld, en is het best te vertalen als tussenverdieping. Als we de financiering van een onderneming in een aantal lagen onderverdelen, dan is de mezzaninefinanciering ook een 'tussenverdieping': het is de 'laag' kapitaal die het gat opvult tussen bankkrediet en het (risicodragend) vermogen.
Mezzaninefinancieringen heeft twee hoofdvormen
Ten eerste mezzanine als overbruggingsfinanciering, bijvoorbeeld in de aanloop naar een beursgang. Deze vorm heeft ook de kenmerken van een overbruggingskrediet: een korte looptijd en vanwege het hogere risico een hogere rente dan een normaal krediet.
Daarnaast wordt mezzanine steeds belangrijker bij acquisitiefinancieringen. Het betreft hier langlopende financieringen tussen vijf en tien jaar, die zijn achtergesteld ten opzichte van het reguliere bancaire krediet, zowel qua aflossing als qua zekerheden. Deze achterstelling en de vergoeding zijn de meest kenmerkende aspecten van mezzanine. Dit type financiering heeft enkele belangrijke voordelen. Zo vindt de 'finale' aflossing plaats ná de aflossing van het reguliere bankkrediet. En er hoeft bijvoorbeeld tussentijds niet op de lening te worden afgelost, waardoor de 'aanslag' op de cashflow van de onderneming beperkt blijft tot de rentebetalingen.
Duur?
Vooral bij buyouts blijkt de mezzaninefinanciering een uitstekende oplossing te zijn voor de financieringsbehoefte van de acquirerende partij. Veelal heeft deze - ondanks ingebracht eigen vermogen en de reguliere overnamelening waarover zij kan beschikken - nog een tekort in de financiering van de buyout. Dit kan zo'n tien tot twintig procent van de totale financieringsbehoefte zijn. De mezzaninefinanciering is hierbij een uitstekend alternatief voor andere vormen van risicodragend vermogen, zoals bijvoorbeeld durfkapitaal.
Waar de mezzaninefinanciering qua rentelasten een dure financiering lijkt in vergelijking met een normale banklening, is zij dat niet in verhouding tot vermogen dat door bijvoorbeeld informal investors of participatiemaatschappijen wordt verstrekt.
Verstrekkers van eigen vermogen zullen niet zelden rendementen eisen van twintig tot dertig procent over hun investering. Bovendien zal de vermogensverstrekker zeggenschap eisen, en dus invloed willen en kunnen uitoefenen op het beleid van de onderneming.
Bij een mezzaninefinanciering bedragen de rentelasten gedurende de looptijd in het algemeen tussen de tien en zestien procent, gesplitst in een cashdeel dat meestal per kwartaal moet worden voldaan en een rentedeel dat "op-rent" bij de hoofdsom en pas op de einddatum betaalbaar wordt.
De lage cashflowbelasting van dit type financiering stelt de onderneming in staat te groeien.
Naast de rente zal de mezzanineverstrekker een vergoeding willen voor het in staat stellen van de vermogensverschaffers om hun rendement op het eigen vermogen in stand te houden of zelfs te vergroten. Deze vergoeding is meestal in de vorm van een "warrant". Een warrant geeft het recht aan de mezzanineverschaffer om, bijvoorbeeld bij een beursgang of een verkoop, een vooraf afgesproken percentage van het aandelenkapitaal te verkrijgen tegen een vooraf afgesproken prijs. Op die wijze kan de mezzanineverstrekker meeprofiteren van de groei die mede door de financiering is mogelijk gemaakt.
De kosten van mezzanine zijn dus relatief. Immers, de verstrekker van de mezzaninefinanciering stapt in het gat dat voor eigenvermogenverschaffers te groot is en waar andere kredietverschaffers niet willen instappen omdat er te weinig zekerheden tegenover staan. De mezzanineverschaffer heeft meestal als 'observator' zitting in een raad van commissarissen en heeft in tegenstelling tot verschaffers van durfkapitaal geen zeggenschap en oefent geen invloed uit op de zakelijke koers van de onderneming.
Vertrouwen in management
De mezzaninefinanciering lijkt een prima alternatief voor partijen die aan de vooravond van een buyout of acquisitie staan. Toch zal de financiering in lang niet alle gevallen worden verstrekt. Waar bij de verstrekking van een reguliere banklening activa als gebouwen of machines door de verstrekker als belangrijke zekerheden worden beschouwd, geldt dit in veel mindere mate bij mezzaninefinancieringen (je zou kunnen stellen dat deze zekerheden al zijn 'opgebruikt').
Omdat de lening na de looptijd in één keer moet worden afgelost, is het voor de verstrekker van de mezzaninefinanciering belangrijk dat er op dat moment voldoende liquide middelen aanwezig zijn waarmee de aflossing kan worden gedaan. De 'cashgenererende' capaciteiten van de onderneming vormen dus een belangrijk criterium bij het wel of niet toekennen van de mezzaninefinanciering. Hierbij is het trackrecord van de onderneming natuurlijk een goede indicator, maar in de eerste plaats zal de geldverstrekker veel vertrouwen moeten hebben in het management.
Om die reden is de mezzaninefinanciering vooral een veelvuldig gebruikt instrument bij buyouts, waar het zittende management, al dan niet gesteund door investeerders, het eigendom van de onderneming overneemt.
Ook in het geval van een (management)buyin kan de mezzaninefinanciering het gat tussen bankkrediet en eigen vermogen opvullen, al zullen de eisen aan de ondernemerschapskwaliteiten van de externe managers nóg hoger liggen.
Niet zelden dienen bij een buyin of een buyout de managers zelf een solide financiële basis te hebben of te worden ondersteund door financiële partijen zoals bijvoorbeeld participatiemaatschappijen. Dit heeft vooral te maken met het niet afnemende risico voor de verstrekker van de mezzaninefinanciering: omdat er niet wordt afgelost, blijft de verstrekker met een fors kapitaal in het bedrijf zitten. Om het risico hierover enigszins te beperken zal hij eisen dat de partij aan wie de financieiring is verstrekt kapitaalkrachtige aandeelhouders heeft.
Zijn er alternatieven voor mezzaninefinanciering?
Formeel wel, met name het plaatsen van obligaties, dat ook niet-beursgenoteerde ondernemingen kunnen doen. Dit is qua rentelasten voordeliger dan mezzanine maar is in de praktijk niet eenvoudig, zeker niet bij bedragen veel kleiner dan honderd miljoen euro. Dit heeft te maken met de hoogte van de kosten van plaatsing van obligaties, maar ook met het feit dat de Europese obligatiemarkt hiervoor niet altijd voldoende liquide is.
Hoewel er formeel geen minimumbedragen zijn te noemen, biedt in het algemeen een mezzaninefinanciering uitkomst als het om bedragen gaat vanaf ongeveer vijf miljoen euro, ofwel bij transacties (zoals een buyout) van ongeveer vijftig miljoen euro of meer.